De eerste oprukkende ijsschots
Kwam de baai drie weken later binnen
Het was maar een kleine
Niet veel groter dan onze sloep
Maar dat hij zo ongehinderd
Onze beschutte haven binnen kwam drijven
Overtuigde me ervan
Dat er spoedig meer zouden volgen
"Moet je zien hoe hij aarzelt," zei Koek
Terwijl we toe keken hoe de schots de kust naderde
Dicht bij waar wij waren afgemeerd
"Het is bijna alsof hij hier per ongeluk is terechtgekomen
En nu niet meer weet wat hij moet doen
Als in een kamer vol mensen
Met een hoop geroezemoes van stemmen
Die bij zijn onverwachte, ongevraagde binnenkomst
Plotseling zijn stilgevallen."
"Als een hond in een kegelspel," zei ik
"Roei er naar toe en stel hem op zijn gemak"
Maar Koek reageerde somber
"Dat heeft toch geen zin
Zo meteen loopt hij aan de grond
Óf om te dooien in de zon
Óf om vast te komen zitten
De hele winter lang, net als wij"
Terwijl Koek het over de zon had
Keek ik naar de lucht boven ons
Om te zien waar hij stond
Elke ochtend en middag
Noteer ik de positie van opkomst en ondergang
Alweer een tijd geleden
Heeft hij zijn licht en warmte verloren
En het duurt niet lang meer
Of de poolnacht kondigt zichzelf aan
Met zijn uitspansel van complete duisternis
Comments (0)