Een jaar is niets
Een veer in de wind
Een ademtocht
Je draait je om en het is voorbij
IJs, knop, blad, twijg
Een den in de sloot, stoppels op het veld
Driehonderdvijfenzestig morgens
Driehonderdvijfenzestig nachten
Een verstuikte enkel
Een loopneus
De dood van een verre neef
Spreeuwen in de dakgoot
Een ontwortelde boom
Ramen schuiven open
Gordijnen dicht
De zon brandt koperglanzend in het ruit
Een jaar. Een jaar is niets
(Driehonderd vijfenzestig morgens
Driehonderdvijfenzestig nachten
Driehonderd vijfenzestig morgens
Driehonderdvijfenzestig nachten)
Zij stond aan het eind van de wereld
De koude witte booglampen waren genadeloos
En maakten alles naakt en deerniswekkend
Maar achter haar groeide een verschrikkelijke duisternis
Geen zwart was zo zwart als de duisternis rondom de witte lampen
Hij deed een schreeuw in haar groeien
De nooit gehoorde vissenschreeuw van het eenzame dier
Dat door zijn eigen zee wordt overweldigd
Hij wast als de vloed en ruist met donkere vlerken
Dreigend als de branding
En sist verderfelijk als schuim
(Driehonderd vijfenzestig morgens
Driehonderdvijfenzestig nachten
Driehonderd vijfenzestig morgens
Driehonderdvijfenzestig nachten)
"Je bent een schrielkip, weet je dat wel?"
Er waren handen, gezichten, lippen
"Blijf je?" vroeg ze zacht
Ja. "Lang?" Ja. "Altijd?"
"Je haar ruikt naar natte takken," zei ik
"Altijd?" vroeg ze opnieuw
Ik rukte het raam open
De nacht greep met koude handen naar mijn naakte borst
En ik zei: "Luister eens. Wacht op me
Als het leven is zoals jij mij altijd hebt gezegd
Kom ik terug, hoor je."
Haar mond schemerde ziekelijk rood in haar witte gezicht
"Blijf toch!"
Maar ik liep met hol weergalmende stappen weg
En achter mij zakte de maangrijze straat
Weer stom ge worden terug in haar stenen eenzaamheid
Het open venster piepte
Toen ik omkeek, was achter het raam een rode mond
"Blijf toch," huilde die
Driehonderdvijfenzestig
Driehonderdvijfenzestig
Driehonderdvijfenzestig
Driehonderdvijfenzestig
Comments (0)